home | nieuwsblad | informatie
Sphenia W. Turton, 1822
Kleine gaper (Sphenia binghami) De enige soort in dit genus op deze siteJa
ExoskeletEen versteviging van het lichaam aan de buitenkant en direct zichtbaar
:ja 1
Schelp:ja 2
   Vorm:klein, langwerpig, linker klep iets kleiner dan rechter 3
   Tweekleppig:ja 1
   
GelijkkleppigBij tweekleppigen of de linker- en de rechterklep min of meer gelijk zijn
:nee
   
DikteDikte van het schelp materiaal
:teer, iets doorschijnend 3
   
SymmetrischLigt de apex in het midden van de schelp
:nee
   
ApexHet eerst gevormde deel van de schelp (top).
:voor het midden 3
   
AchterrandBij tweekleppigen de zijde waar de sipho's uitkomen
:weinig gapend 3
   Periostracum:ja
      Kleur:geelbruin 3
      Structuur:rimpelig, vezelig 3
   Ostracum:ja
      Kleur:Wit of geelachtig, effen 3
      Structuur:iets glanzend 3
         
ParallelDe structuur parallel aan de groeilijnen
:gestreept volgens de groeilijnen 3
   
RibbenEen structuur die dwars staat op de groeilijnen/ groeirichting
:nee 2
   
LigamentHet ligament zorgt ervoor dat de kleppen in rust toestand open staan. Door het gebruik van de sluitspieren kan het dier de kleppen sluiten. Het ligament is gemaakt van conchioline. Het ligament kan inwendig en/of uitwendig zijn. Het inwendige deel heet het resilium en is een prop concioline die de kleppen open drukt. Het uitwendige deel heet het tensilium en bestaat uit een band conchioline die de kleppen open trekt. Het tensilium bevindt zich nabij de apex van de schelp.
:ja 2
      
TensiliumHet uitwendige ligament dat als een band zichtbaar is en de schelpkleppen open trekt.
:ja
         Beschrijving:zwakke verbinding aan de dorsale zijde 3
      
ResiliumHet inwendige ligament dat als een prop bij de umbo zit en de schelpkleppen open drukt.
:ja 2
         Beschrijving:stevig 3
         Links:chondrofoor 3
         Rechts:een kleinere uitholling, schuin achterwaarts onder de apex, met een tandachtig uitsteeksel voor het ressilium veld 3
      
ChondrofoorEen ronde, lepelachtige uitgroeiing onder de top waarop het resilium zich bevindt of bevond.
:staat horizontaal af en haakt in onder de top van de rechterklep, vertoont een richel en een uitholling 3
   
TandenDe tanden zorgen ervoor dat de twee kleppen netjes op elkaar sluiten:
Anodont
Zonder tanden
Dysodont/Desmodont
Kleine, zwakke tanden nabij de top. Of: tanden in de vorm van een aantal knobbeltjes
Taxodont
Een groot aantal gelijkvormige tanden die recht, waaiervormig of chevronvormig (V-vormig) onder de top staan.
Heterdont
2-3 cardinale tanden direct onder de top en enkele laterale tanden langs de voor- en achterrand.
Isodont
Zeer grote tanden aan beide kanten van de resiliumgroeve. Of: enkele symmetrische gerangschikte tanden
Schizodont
Zeer grote tanden met parallele groeven evenwijdig met de as van de tand.
Pachydont
Grote, zware, lompe tanden. De vertanding komt alleen voor in "rudists"
:anodont 2
      
CardinaalDe cardinale tanden liggen direct onder de top en zijn vaak wat kort en stomp.
:ja 4
      
LateraalDe laterale tanden liggen wat verder verwijderd vanaf de top en zijn vaak wat langer gerekt.
:ja 4
   Binnenzijde 
      Kleur:wit, of lichtgrijs 3
      Structuur:iets glanzend 3
   Mantellijn:ja
      Mantelbocht:ja
         Beschrijving:wijd, niet zeer diep 3
Lichaam:ja 1
   Mantel:ja 1
   Byssusklier:ja
      Locatie:op de voet 3
   Siphonen:ja
      Aantal:2 3
      Beschrijving:lang en vrij dik 3
Ademhalingsorgaan:ja 4
   Kieuwen:ja 4
      
Type
Potobranchia
Een paar pluimachtige kieuwen of ctenidia met twee rijen platte filamenten op elke kieuw
Filibranchia
Lange dunne filamenten die op hun plek gehouden worden door aan elkaar verbonden cilia
Eulamellibrancia
De lamellae zijn verbonden door tissue, de filamenten zijn stevig verbonden door vasculaire verbindingen. De hele kieuw heeft iets weg van een geperforeerd blad.
Septibranchia
Dit zijn gedegenereerde kieuwen. De filamenten zijn sterk gereduceerd. De kieuwen zijn vervormd tot geperforeerde spier delen tussen de twee palliale kamers.
:Lamellibranch 4
Habitat:Hechten zich vast (met byssus) op stenen of andere schelpen. Ook kruipen ze graag in gangen van boormossels en dergelijke, waar ze zich aanpassen aan de vorm van de boorgang. Ze boren zelf niet. 3
   Verspreiding:Weinig soorten bekend uit de Pacifische en Noord-Atlantische Oceaan. West-Indië, Zuid-Afrika, Rode Zee en Indische Oceaan. 3
Bronnen:
  1. https://strandvondsten.nl/Bivalvia
  2. https://strandvondsten.nl/tweekleppigen/Myidae
  3. Benthem Jutting, Tera van (1943). Fauna van Nederland. Mollusca (I) C. Lamellibranchia. A.W. Sijthoff's Uitgeversmaatschappij N.V..
  4. https://strandvondsten.nl/tweekleppigen/Heteroconchia
© 2006 - 2025 strandvondsten.nl / Powered by huwatoco.nl / info@huwatoco.nl