Tere Dunschaal
- Biota - Animalia - Mollusca - Bivalvia - Autobranchia - Heteroconchia - Euheterodonta - Imparidentia - Cardiida - Tellinoidea - Semelidae - AbraExoskeletEen versteviging van het lichaam aan de buitenkant en direct zichtbaar | : | ja 1 |
| Schelp | : | ja 2 |
| Vorm | : | driehoekig 3 |
| Tweekleppig | : | ja 1 |
| GelijkkleppigBij tweekleppigen of de linker- en de rechterklep min of meer gelijk zijn | : | ja 4 |
| HoogteDe maat van top tot onderrand | : | 7 mm |
| LengteVan apex tot opening, voornamelijk bij stoottanden | : | 13 mm |
| DikteDikte van het schelp materiaal | : | iets doorschijnend; dun, breekbaar 3 5 |
| SemidiameterCommissuurvlak tot grootste bolling | : | 3,5 |
| SymmetrischLigt de apex in het midden van de schelp | : | ja 5 |
| Tophoek | : | weinig groter dan 90 ° 3 |
| ApexHet eerst gevormde deel van de schelp (top). | : | in het midden 3 |
| Umbo
| : | prominent 6 |
| Bovenrand | : | loopt gelijkmatig weg vanaf de top naar beide zijden 6 |
| VoorrandBij tweekleppigen de zijrand waar de sipho's niet uitkomen | : | gewoonlijk iets gapend, ronder dan achterrand 2 |
| AchterrandBij tweekleppigen de zijde waar de sipho's uitkomen | : | iets afgeknot 3 |
| Onderrand | : | rond, glad 5 |
| Groeilijnen | : | zeer fijn 2 |
| PeriostracumHet periostracum is in het Nederlands bekend als de opperhuid. Het is de buitenste laag van de schelp, opgebouwd uit conchioline vermengd met kalk, en beschermt de schelp tegen de inwerking van (zee)water en zuren. | : | ja 2 |
| Dikte | : | dun 2 |
| Kleur | : | geelgroen, creme, bruin 3 7 |
| Structuur | : | vliezig 2 |
| OstracumHet ostracum is de tweede laag van de schelp. Deze laag, ook wel prismalaag of porseleinlaag genoemd, bestaat uit calciet, of uit calciet en argoniet, wat voornamelijk bestaat uit calciumcarbonaat. Het zijn kleine primatische kristalletjes die loodrecht staan op de buitenste laag en dan prismalaag heet of als gekruiste lamellen en dan porceleinlaag heet. In beide gevallen hebben we het nog steeds over het ostracum. | : | ja 2 |
| Kleur | : | wit 3 |
| Structuur | : | zwak glanzend 3 |
| LigamentHet ligament zorgt ervoor dat de kleppen in rust toestand open staan. Door het gebruik van de sluitspieren kan het dier de kleppen sluiten. Het ligament is gemaakt van conchioline. Het ligament kan inwendig en/of uitwendig zijn. Het inwendige deel heet het resilium en is een prop concioline die de kleppen open drukt. Het uitwendige deel heet het tensilium en bestaat uit een band conchioline die de kleppen open trekt. Het tensilium bevindt zich nabij de apex van de schelp. | : | ja 2 |
| TensiliumHet uitwendige ligament dat als een band zichtbaar is en de schelpkleppen open trekt. | : | ja 2 |
| Vorm | : | klein, band vormig 5 |
| Kleur | : | bruin 5 |
| Beschrijving | : | kort 2 |
| ResiliumHet inwendige ligament dat als een prop bij de umbo zit en de schelpkleppen open drukt. | : | ja 2 |
| ResiliumveldDe, meestal driehoekige, verdieping in de slotplaat onder de top waarop het resilium zat. Het veld kan uitsteken ten opzichte van de slotplaat richting de onderrand van de schelp. Synoniemen voor dit veld zijn: resilifer, ligamentholte, ligamentgroeve; Engelse termen: resiliifer, resilium pit, ligament pit | : | smal lepelvormig, naar voren gericht 5 6 |
| TandenDe tanden zorgen ervoor dat de twee kleppen netjes op elkaar sluiten:
| : | Heterodont 2 |
| CardinaalDe cardinale tanden liggen direct onder de top en zijn vaak wat kort en stomp. | : | ja 2 |
| Linker klep | : | ja |
| Aantal | : | 1 6 |
| Beschrijving | : | kort 6 |
| Rechter klep | : | ja |
| Aantal | : | 2 3 6 |
| Beschrijving | : | kort, achter het resiliumveld 3 6 |
| Beschrijving | : | klein 2 |
| LateraalDe laterale tanden liggen wat verder verwijderd vanaf de top en zijn vaak wat langer gerekt. | : | ja |
| Aantal | : | 2 |
| Beschrijving | : | smal 2 |
| Rechter klep | : | ja |
| Voor | : | ja |
| Aantal | : | 1 |
| Beschrijving | : | lang 3 6 |
| Achter | : | ja |
| Aantal | : | 1 |
| Beschrijving | : | lang 3 6 |
| Voor | : | ja |
| Aantal | : | 1 |
| Beschrijving | : | zwak ontwikkeld 6 |
| Achter | : | ja |
| Aantal | : | 1 |
| Beschrijving | : | zwak ontwikkeld 6 |
| HypostracumDe binnenste van de drie lagen (niet altijd aanwezig) ook wel parelmoerlaag genoemd. Deze laag is opgebouwd uit koolzure kalk die is afgezet in zeer dunne bladvormige kristallen. Wordt gemaakt door de gehele mantel. | : | nee 4 |
| Binnenzijde | : | 2 |
| Kleur | : | wit 3 |
| Structuur | : | glanzend 3 |
| Umbonale holte | : | weinig gewelfd 2 |
| Sluitspierindruksels | : | ja 2 |
| TypeVolgende types worden onderscheiden:
| : | Trimyaar 8 |
| Aantal | : | 2 2 |
| Beschrijving | : | Bezit een kruisspier, die bestaat uit twee bundels die kruislings de twee kleppen verbinden en vastgehecht zijn direct onder de mantelbocht en daar twee ronde veldjes als litteken achterlaten. 8 |
| Siphonretractorindruksels | : | ja |
| Beschrijving | : | onduidelijk 6 |
| Mantellijn | : | ja |
| Beschrijving | : | duidelijk 6 |
| Mantelbocht | : | ja 2 |
| Beschrijving | : | diep, tot voor het midden, loopt gelijk met de mantellijn voor het grootste deelte van zijn lengte 5 |
| Lichaam | : | ja 2 |
| Kleur | : | wit 6 |
| Mantel | : | ja 2 |
| Rand | : | met franje 6 |
| Mantelrand | : | niet vergroeid 2 |
| Byssusklier | : | ja 2 |
| Locatie | : | op de voet 2 |
| Siphonen | : | ja 2 |
| Aantal | : | 2 |
| Lengte | : | lang, dun, over de gehele lengte vrij 2 |
| Instroom | : | 2 keer zo lang als de schelp 6 |
| Uitstroom | : | 1/3 of minder zo lang als de schelp 6 |
| Ademhalingsorgaan | : | ja 4 |
| Kieuwen | : | ja 4 |
| Type
| : | Lamellibranch 4 |
| Voedsel | : | deeltjes uit de watercolomn 2 |
| Vijand | : | Digenean parasiten (maakt ze onvruchtbaar) 9 |
| Dichtheid | : | 300-1500 stuks per vierkante meter. 9 |
| Habitat | : | Slikke geulen (o.a. Slufter Texel) of kuilen met fijn week slik, iets boven de eblijn, waar bij eb ongeveer 1 cm water blijft staan. 3 |
| Saleniteit | : | <4‰ voor meer dan 10 dagen, kan goed tegen lage zout gehaltes 9 |
| Temperatuur | : | is gevoelig voor strenge winters, waarbij velen dood vriezen 10 |
| Verspreiding | : | Oostzijde van de Atlantische Oceaan van Zuid-Noorwegen tot aan en in de Middellandse Zee.1 In de Noordzee ligt de noordgrens bij de Nederlandse-Duitse grens. 10 |
| Tijdvak | : | Vanaf het Plioceen 2 |
| Voortbeweging | : | gelimiteerd 2 |
GeslachtHermafrodiet of geslachtelijke voortplanting, zie ook geslachtsorganen | : | apart (dioecious) 9 |
| Bevruchting | : | juli tot september, 400 tot 1800 eitjes in een massa: 4 tot 6 cm lang en 2 cm diameter. De eitjes worden gelegd in de bovenste sediment laag 9 |
| Geboorte | : | na 2 tot 3 weken met een ongeveer 0.2 mm schelp lengte 9 |
| Larvale fase | : | ja 2 |
| Beschrijving | : | vrij zwemmend tot ongeveer 30 dagen oud 2 |
| Groei | : | De groei is de eerste 6 maanden heel traag, schelp lengte toename maar ongeveer 0.3 mm en een hoge sterfte kans (>98%), waarna een snelle groei spurt volgt in het voorjaar, na 1 jaar groter dan 1 mm. Eerste jaar groei tot 6 mm, tweede jaar groei tot 8 mm, groter dan 9 mm derde levens jaar 9 |
| Geslachtsrijp | : | bij ongeveer 4 mm schelp grote, in de zomer van het eerste levensjaar 9 |
| Levensverwachting | : | 2 jaar |
| Bronnen | : |
|