Tweekleppigen determinatie en terminologie

Introductie

Om een soort goed te kunnen beschrijven of determineren is het belangrijk om te weten hoe je er naar moet kijken en wat we met bepaalde termen bedoelen. Dit artikel geeft de beschrijving van de op deze site gebruikte termen.

Overzicht

Beschrijving Een algemene beschrijving die min of meer een samenvatting is van de determinatie sectie.
Alias Als het voor determinatie nodig is om een soort tweemaal op te nemen, dan verwijst men onder Alias naar de volledige beschrijving. Als de Alias-term aanwezig is en data bevat dan zal alleen de beschrijving worden weergegeven, verdere informatie wordt genegeerd.
Soorten Verschillende soorten in een familie of genus.
Determinatie Tips en aanwijzingen voor de determinatie
Vormen beschrijving van de verschillende vormen die er bestaan
Lijkt op Soorten waarmee makkelijk verwarring kan ontstaan. Meestal zijn dit soorten uit hetzelfde genus.
Vindplaatsen Geografische vindplaatsen waar de soort gevonden kan worden, of waar de soort gevonden is. Sommige soorten komen alleen op heel specifieke plekken voor terwijl anderen langs de gehele Noordzeekust gevonden kunnen worden.
Tijdvak De tekst hier kan zijn "vanaf ..." wat betekent dat de soort op een bepaald moment is geïntroduceerd nog steeds leeft. Een andere mogelijkheid is "van ... tot ..." (of allen "tot ...") wat betekent dat de soort is uitgestorven.
Evolutie Hoe is de soort ontwikkeld door de eeuwen heen.
Voorouder Als bekend de naam van de vorige generatie
Exoot ja/nee
Etymologie De herkomst van de naam van de soort, dit kan zowel voor de Nederlandse naam als voor de Latijnse naam zijn.
Synoniemen Andere namen die in de literatuur voorkomen. Er wordt veel geschoven met namen. Vroeger ging men voor determinatie en familie bepaling voornamelijk af op uiterlijke kenmerken, maar met de komst van DNA onderzoek moet er soms geconstateerd worden dat een soort bij een andere familie hoort. Oudere literatuur kent dan alleen de oude naam.
Bijzonderheden Wetenswaardigheden die niet in een van de andere secties al behandeld is.

Het leven

Symmetrie
Voortplanting
Bevruchting Periode van bevruchting en hoe de bevruchting plaatsvind, bij planten is dit de bloeiperiode, bij vissen de paaitijd.
Paaigebied
Paaitijd
Bloeiperiode Bloeiperiode van bloemvormende planten
Bevruchtingswijze copulatie, pelagisch, eolisch, dieren (bij planten)
Levensvorm Voor planten: Therofyten, Fanerofyten, Epifyten, Chamaefyten, Hemikryptofyt, Geofyten, hydrofyten, freatofyten, afreatofyten, halofyten
Embryonale fase De periode na de bevruchting en voor de geboorte
Draagtijd
Broedgebied
Broedperiode
Broedduur
Broedzorg
Nestmateriaal
Nestvorm
Nestplek
Eieren
   Eieren aantal
   Eieren kleur
Geboorte Bij dieren: wanneer, na hoeveeltijd en onder welke omstandigheden vind de geboorte plaats
   Jongen aantal geborenen per keer
Kiemrust tijd die kan zitten tot ontkieming, planten waarbij kieming al plaatsvind aan de plant (grassen) heten levenbarend
Kieming Bij planten: een- of tweezaadlobbig en wanneer, na hoeveeltijd en onder welke omstandigheden kiemt een plant
Larvale fase De veliger fase
Broed Het stadium waarbij het vrije leven overgaat naar een bodem leven, de broedval, dit geldt alleen voor bodemdieren.
Broedval
Juveniele fase De periode na een van de voorgaand gebeurtenissen en voordat er geslachtsrijpheid optreedt
Geslachtsrijp vanaf welke leeftijd ze instaat zijn om nakomelingen te maken
Geslacht mannelijk/vrouwlijk, hermafrodiet
Geslachtsklieren
Mannelijke geslachtsklieren
Vrouwelijke geslachtsklieren
Voorplantingsorganen
Groeivorm Alleen voor planten: bedektzadigen, korstmossen, mossen
Bloeiwijze Alleen voor planten: eaenmalig, overblijvend
Zaadverspreiding wind, water, dieren, zelf
Groei Overzicht van maten en leeftijd
Levensverwachting dit is meestal de maximale leeftijd die ze kunnen bereiken, enkele veel gebruikte termen: eenjarig, tweejarig, meerjarig
Voedsel Wat eten ze zelf
Eet gewoonte
   Filtratie snelheid hoeveel water wordt er per uur gefilterd bij bijvoorbeeld schelpdieren
   Filtratie efficientie hoeveel van het opgenomen voedsel komt ten goede van de energiehuishouding bij bijvoorbeeld schelpdieren
Ademhaling
Verdediging
Vijand door wie worden ze gegeten
Parasieten
Symbiose Met wie leeft het dier of plant, al dan niet vrijwillig, samen.
Associatie
Habitat Een beschrijving van het leefgebied. Kan de soort bijvoorbeeld aangetroffen kunnen worden in zout-, brak- en zoetwater. Op welke diepte leeft de soort? al dit soort vragen kan beantwoord worden bij Habitat.
   Diepte maximaal
   Diepte normaal
   Saleniteit Het minimale en maximale zoutgehalte dat ze nodig hebben om te kunnen overleven
   Temperatuur De temperatuur range die nodig is om in leven te blijven
   Zuurgraad
Dichtheden Het aantal exemplaren per vierkante meter
Voortbeweging De minst bewegelijke manier van leven is door hechting aan substraat (zoals pokken), danwel door wortels in de bodem. Iets bewegelijker zijn bijvoorbeeld de mosselen. Zij hechten zich aan een oppervlak middels byssus draden, maar vergis je niet als een mossel wordt aangevallen door bijvoorbeeld een purperslak dan kan hij deze ook in de byssusdraden inspinnen. Wat dan weer heel vervelend voor de purperslak is.
De belangrijkste manier om voort te bewegen is door gebruik te maken van benen. Maar schelpen kunnen zich bijvoorbeeld ook in graven met hun voet en vissen kunnen zwemmen. Kortom er zijn vele manieren van voorbeweging mogelijk.
Verspreiding Het aardrijkskundige gebied waarin we de soort leeft. Bijv. Noordzee, Oostzee, Atlantische Oceaan, etc. Dit verschilt van de Vindplaats dat de verspreiding het leefgebied is, voor schelpen geldt bijvoorbeeld dat ze hun verspreiding in zee is, maar dat ze op het strand gevonden kunnen worden.
Verspreiding zomer
Verspreiding winter
Trekperiode

De Schelp

In deze sectie proberen we een beschrijving te geven van de vorm van de schelp, te beginnen bij de maten.
Bij de vorm beschrijving en bij het meten is het van belang om te weten hoe we dat doen. Daarvoor hebben we een vast punt nodig van waaruit we vertrekken en dat is de apex. Daar waar de kleppen aan elkaar zitten (bij doubletten) of aan elkaar gezeten hebben noemen we de apex, dit is tevens het eerst gevormde deel van de schelp. De meeste schelpen op deze site zijn afgebeeld met de apex boven. De kant waar de kleppen het verst van elkaar kunnen is de onderrand.
De maten op deze site voor de hoogte, lengte, breedte en dikte zijn allemaal opgegeven in milimeters. We proberen zoveel mogelijk de maximale maat aan te geven. De reden dat wij gekozen hebben voor de maximale maat en niet voor de veel gebruikte gemiddelde maat is dat het automatisch laten doorzoeken van een database op deze manier eenvoudiger wordt. Stel u heeft een schelp gevonden van 20 mm breed, dan kan als zoek creteria dus alles wat groter is dan 20 mm afvallen.
Daar de meeste literatuur uitgaat van de gemiddelde maat zal dus veel van de data op onze website uit deze maten bestaan. Als u iets gevonden heeft dat groter is dan de hier vernoemde maten, dan graag doorgeven aan info@strandvondsten.nl.
De schelp is de bescherming van het weekdier dat in de schelp leeft en is de productie van dit weekdier. De mantelrand maakt de ostracum en periostracum laag, terwijl de gehele mantel het hypostracum afscheid (als deze aanwezig is).
Basis vorm Een grove beschrijving van de vorm in geometrische termen zoals rond, ovaal of driehoekig.
   Hoogte De hoogte is de afstand van de apex tot de onderrand.
   Lengte De lengte is de afstand van de voorrand tot de achterrand.
   Semidiameter Met de semidiameter bedoelen we op deze site de maat vanaf het commissuurvlak tot de maximale schelp boling. Vaak treft u hier alleen tekst aan welke een beschrijving geeft van de boling van de schelp.
   Dikte De dikte is de maximale dikte van het schelp materiaal. Of een omschrijving, daar dit zeer moeilijk te meten is. Het gaat altijd om vers materiaal, dus opmerkingen als "doorschijnend" hebben betrekking op schelpen van levende of kort geleden gestorven dieren. Fosiele vormen zijn vaak ondoorschijnend.
   Convexiteit De bolling van een klep; deze kan worden uitgedrukt in een formule C=100S/H, waarbij de C de convexiteit is, S de semidiameter en H de hoogte.
   Bovenrand Een nadere beschrijving van de bovenrand. Het gaat hierbij niet om het slot deel maar zuiver om de vorm. In andere documenten ook wel de dorsale rand genoemd
   Onderrand Een nadere beschrijving van de onderrand. In andere documenten vaak basale rand genoemd.
   Voorrand Een nadere beschrijving van de voorrand.
   Achterrand Een nadere beschrijving van de achterrand.
   Commissuur De lijn waar de twee kleppen elkaar raken; deze gebogen lijn ligt meestal in een vlak, het commissuurvlak.
   Gelijkzijdig Een schelpklep is gelijkzijdig als de apex in het midden ligt en de voorzijde gelijk is aan de achterzijde. Dit geldt voor zowel sculptuur als voor vorm.
   Gelijkkleppig Een schelp is gelijkkleppig als beide schelpkleppen (zowel links als rechts) hetzelfde zijn. Dit geldt niet voor het slot.
   Oren Bij de Teredinidae het met de klep vergroeide achterste deel (ik zou bijna zeggen een vergroeide siphonoplax). Of de waaiervormige vergroeiing bij de top (voor en achter) van de Pectinacea en Pteriacea.
Umbo Het eerst gevormde deel van de schelp en de daarop volgende gewelfde groeizone. Deze zone kan een paar kenmerkende eigenschappen hebben:
opisthogyr
De umbo is naar achteren gericht
prosogyr
De umbo is naar voren gericht
orthogyr
De umbo's zijn naar elkaar gericht
spirogyr
De umbo's van elkaar af gericht
   Apex Het oudste deel van de schelp gelegen aan de bovenrand. Onderdeel van de umbo. Belangrijkste determinatie kenmerken van de apex zijn of deze in het midden ligt of niet.
   Apex hoek De hoek die wordt gevormd door de bovenrand links en rechts van de apex.
Periostracum  
Het periostracum is in het Nederlands bekend als de opperhuid. Het is de buitenste laag van de schelp, opgebouwd uit conchioline vermengd met kalk, en beschermt de schelp tegen de inwerking van (zee)water en zuren.
   Periostracum dikte De dikte en resistentie beschrijving.
   Periostracum kleur De kleur
   Periostracum structuur De structuur, zoals vezelig of glad.
Ostracum  
Het ostracum is de tweede laag van de schelp. Deze laag, ook wel prismalaag of porseleinlaag genoemd, bestaat uit calciet, of uit calciet en argoniet, wat voornamelijk bestaat uit calciumcarbonaat. Het zijn kleine primatische kristalletjes die loodrecht staan op de buitenste laag en dan prismalaag heet of als gekruiste lamellen en dan porceleinlaag heet. In beide gevallen hebben we het nog steeds over het ostracum.
   Ostracum dikte De dikte van de ostracum laag, bijna nooit ingevuld alleen voor compleetheid aanwezig.
   Ostracum kleur De kleur van de schelp is de kleur van verse kleppen. Dit is niet de kleur van het periostracum, maar de kleur van het ostracum, de tweede laag. Het periostracum is bij op het strand gevonden schelpen vaak verweerd.
De op het strand gevonden schelpen kunnen door verwering en inwerking van mineralen in de bodem de meest uiteenlopende kleuren krijgen, maar zijn vaak blauw, grijs of bruin verkleurd. Dit is niet de oorspronkelijke kleur van de schelp.
   Ostracum structuur De structuur van de ostracum laag, dus prismalaag of porceleinlaag. Of een meer generieke term als glazend of ruw.
   Groeilijnen beschrijving van de groeilijnen en of deze kunnen dienen als jaarringen. De groeilijnen worden veroorzaakt door een periode van langzamere groei.
   Parallelle sculptuur Sculptuur die evenwijdig loopt aan de groeilijnen. Ook bekend als concentrische sculptuur en commarginale structuur
   Haakse sculptuur De sculptuur die loopt vanaf de top naar de onderrand. Meestal zijn dit ribben met een bepaalde vorm zoals bijvoorbeeld kanteelvormig of golvend, wat goed te zien is aan de onderrand. Ook bekend als radiale sculptuur.
      Rib aantal Het aantal ribben
      Rib vorm De geometrische vorm als je tegen de kopsekant (onderrand) van de rib aankijkt, bijv. rond, vierkant, langwerpig, driehoekig
      Rib sculptuur Sculptuur vormen op de ribben
      Groeven Beschrijving van de groeven die ontstaan zijn door de haakse sculptuur. Of groeven die over de schelp lopen en die niets met de haakse of parallelle structuur te maken hebben.
      Groeven sculptuur De structuur van de ruimte tussen de ribben.
   Oppervlakte sculptuur Sculptuur anders dan de haakse en de parallelle sculptuur. Deze kan bijvoorbeeld bestaan uit putjes, stekels, knobbels, schubben of groeven.
   Schubben Een beshrijving van de schubben
   Knobbels Een beschrijving van de knobbels
   Stekels Een beschrijving van de stekels
   Putjes Een beschrijving van de putjes
   Kiel Een haakse/radiale vouw.
   Sulcus Radiale groef of uitholling.
   Lunula Bij de meeste tweekleppigen op de buitenkant te vinden veldje voor de umbonen. Vaak hartvormig (bij een doublet) en afwijkend in sculptuur en kleur van de rest van de schelp.
   Areola Bij sommige tweekleppigen te onderscheiden omzooming van de lunula.
   Area Een min of meer duidelijk begrensd langwerpig veld achter de umbonen bij een deel van de tweekleppigen, naast en achter het uitwendig ligament. In het algemeen is het afwijkend van sculptuur van de rest van de schelp.
Hypostracum De binnenste van de drie lagen (niet altijd aanwezig) ook wel parelmoerlaag genoemd. Deze laag is opgebouwd uit koolzure kalk die is afgezet in zeer dunne bladvormige kristallen. Wordt gemaakt door de gehele mantel.
   Binnenkant kleur De kleur aan de binnenkant van de schelp.
   Binnenkant structuur De structuur van de binnenkant van een klep. Dit kan zijn glad, ruw, glanzend, etc.
   Umbonale holte Onder de slotplaat gelegen holte.
Apofyse Vrijstaand, met de welving van de schelp meebuigend tandvormig uitsteeksel, dienend voor de aanhechting van spieren, niet te verwarren met de chondrofoor.
Septum Schot aan de binnenkant, direct onder de apex.
Slot  
Tot het slot behoren de slotplaat met tanden en het ligament.
   Ligament Het ligament zorgt ervoor dat de klep in rust toestand open staat. Door het gebruik van de sluitspieren kan het dier de kleppen sluiten.
Er zijn twee methoden die apart of gecombineerd gebruikt worden om de klep open te houden. De eerste mogelijkheid is door middel van een band conchioline die de klep open trekt. Deze band bevindt zich nabij de apex van de schelp. De andere mogelijkheid is dat de schelp een prop conchioline in de schelp heeft, die de schelp min of meer open duwt. De prop wordt resilium genoemd, en de band tensilium.
   Nymf Aanhechtingsplek voor het tensilium. Er zijn verschillende manieren waarop de nymf zich kan manifesteren:
extravert
verzonken langwerpig veld of groeve aan de achter-bovenzijde van de klep
ingesloten
binnen het area
introvert
aan de binnenzijde van een klep waarneembaar als een kalklijst
   Tensilium vorm We kennen drie vormen van het tensilium:
parivinculair
lang en cylindervormig, dit is de meest voorkomende.
alivinculair
breed en plat, onder andere te zien bij de clycymeris soorten en de lima soorten
multivinculair
Bestaande uit vele kleine strengen
   Tensilium plek We kennen twee mogelijkheden:
opisthodeet
Als het tensilium achter de top gelegen is
amphideet
Als het tensilium zowel voor als achter de top ligt
   Tensilium kleur De kleur van het tensilium
   Resilium vorm De vorm van de prop die het resilium is.
   Resiliumveld Plek vlak onder de top waarin zich het resilium bevond of bevindt. Bij sommige soorten kan deze plek uitgegroeid zijn tot een chondrofoor. Dit is een lepelvormig uitsteeksel waarop zich het resilium bevindt. Het resiliumveld kan dan ook een beschrijving bevatten van het veld, of alleen maar de term chondrofoor bevatten, waarna bij chondrofoor de verdere beschrijving volgt.
      Chondrofoor
   Resilium kleur de kleur van het resilium
   Slotplaat Inwendinge plaat waarop de tanden staan.
   Slot-type Tweekleppigen zijn bij de top met elkaar verbonden via een slotband en tanden zorgen ervoor dat de klep op de juiste manier sluit. Volgens Clarkson (1993) kennen we 7 slot-typen gebasseerd op de verschillende manier waarop tanden zijn gevormd. Historisch gezien is het taxodonte slot de oudste verschijningsvorm.
Er zijn in de literatuur nogal wat verschillende beschrijvingen, dus allen zijn hier opgenomen. Nadere bestudering van literatuur en schelpen zal uitsluitsel moeten geven welke beschrijving we op deze site gaan hanteren.
Anodont
Een slot zonder tanden
Heterodont

Een heterodont slot heeft 2-3 cardinale tanden direct onder de top en enkele laterale tanden langs de voor- en achterrand. Meeste recente en tertiare tweekleppigen hebben deze tanden.
Taxodont
Een taxodont slot heeft vele tanden die subparallel of radiaal geordend zijn. Groot aantal gelijkvormige tanden recht of chevronvormig (V-vormig).
Desmodont/Dysodont
Een dysodont slot kleine simpele tanden aan de rand van de klep. Of: tanden in de vorm van een aantal knobbeltjes
Isodont
Een isodont slot heeft zeer grote tanden aan beide kanten van de resiliumgroeve. Of: enkele symmetrische gerangschikte tanden
Schizodont
Een schizodont slot heeft zeer grote tanden met parallele groeven evenwijdig met de as van de tand.
Pachydont
Een pachydont slot heeft grote, zware, lompe tanden. De vertanding komt alleen voor in "rudists"
   Slottanden
   Cardinale tanden De tanden direct onder de top
      Voorste cardinale tanden beschrijving van de voorste tanden
      Achterste cardinale tanden beschrijving van de achterste tanden
   Laterale tanden De tanden die lopen langs de bovenrand
      Voorste laterale tanden Tanden het dichtst bij de apex
      Achterste laterale tanden Tanden het verst bij de apex vandaan
Mantellijn De tweekleppigen (bivalvia) behoren tot de weekdieren. Deze weekdieren beschermen zichzelf door twee schelpkleppen die ze zelfbouwen. De kleppen scharnieren aan de bovenrand. De schelp wordt gemaakt door de mantel. De rand van deze mantel zit met spiertjes vast aan de schelp en na de dood blijft in de binnenkant van de schelp de laatste aanhechtigsplaats zichtbaar. Deze lijn staat bekend als de mantellijn.
   Mantelbocht Bij gevaar moeten echter de siphonen volledig binnen de schelp ingetrokken kunnen worden en dit kunnen we zien aan de mantelbocht in de schelp. Als een schelp een mantelbocht heeft weten we zeker dat het weekdier siphonen had, maar hoe dieper de mantelbocht is deste langer waren de siphonen.
Siphonretractor-indruksels De spier die gebruikt wordt om de siphonen in te trekken laat ook zo zijn sporen na op de schelp, namelijk het zo genaamde Sifonretractor-indruksels. Helaas valt deze in de mantellijn is vaak slecht zichtbaar
Sluitspieren  
Een tweekleppige moet zijn kleppen actief sluiten. In rust toestand staat de schelp open. Om hem te sluiten gebruikt het weekdier sluitspieren. De sluitspieren laten over het algemeen duidelijk indrukken in de schelp achter.
Voor de naamgeving en onderverdeling hanteren wij het volgende:
Monomyaar
Slechts een sluitspierindruksel, dit is meestal het achterste spierindruksel.
Dimyaar
Anisomyaar
twee spierindruksels van min of meer gelijke grote
Isomyaar
twee duidelijk ongelijke spierindruksels, dwz. een spierindruksel is duidelijk kleiner dan het andere. Hierbij is het grootste indruksel vaak het achterste.
Trimyaar
Drie spierindruksels:
  1. De schelpen uit de familie Pholadidae hebben een aanvullende derde sluitspier, welke bekend is als 'accessorische sluitspier'. Deze is te vinden direct onder de mantelbocht. De mantellijn is aldaar dan ook vervormd tot een veldje.
  2. Ook bij de Tellinacea en Solenidae is er spraken van een derde spier, namelijk de kruisspier. De kruisspier bestaat uit twee bundels die kruislings de twee kleppen verbinden, en vastgehecht zijn direct onder de mantelbocht. De littekens zijn te zien als twee ronde veldjes.
Een nadere beschrijving van de spierindruksels kan plaats vinden onder de kopjes: Voorste sluitspierindruksel, Middelste sluitspierindruksel en Achterste sluitspier indruksel. Zowel de kruisspier als de accessorische sluitspier vallen hierbij onder het kopje Middelste sluitspierindruksel.
   Sluitspierindruksels zie Sluitspieren
      Voorste sluitspierindruksel zie Sluitspieren
      Middelste sluitspierindruksel zie Sluitspieren
      Achterste sluitspierindruksel zie Sluitspieren
Voetprotractor-indruksels Indruk van de spier waarmee de voet uitgestoken werd.
Voetretractor-indruksels Indruksel van de spier waarmee de voet ingetrokken werd. Te vinden in de umbonale holte.
Byssusopening Opening in de rechterklep van Anomiidae of tussen schelpranden van bijvoorbeeld Mytilidae, Pectinidae, waardoor de byssysdraden lopen. Bij veel Pectinoidea: inkeping in de schelprand van de rechterklep onder het voorste oor, waardoor de byssusdraden lopen.
Byssus indrukken
Accessorische schelpstukken Accessorische schelpstukken komt men tegen bij de hout, veen en steen boorders. In de overige literatuur vallen daar niet de paletten onder van de houtwormen, op deze site doen we dat echter wel want houtwormen behoren tot de tweekleppigen en dus zijn de paletten accessorische stukken, weliswaar liggen ze ver van de schelp af, maar toch behoren ze tot de kalk stukken die het weekdier beschermen tegen aanvallen. De verschillende accessorische schelpstukken die kunnen voorkomen zijn:
Hypoplax
Een langwerpig schelpstuk dat zich aan de achter-onderkant van de schelp bevindt.
Metaplax
Een boven stuk dat de opening tussen de tweekleppen aan de voorzijde bedekt.
Mesoplax
Een sluitstuk voor de bovenkant van het slot. Ter bescherming van de voorste sluitspier.
Paletten
Schelpstukken die het uiteinde van een boorgang kunnen afsluiten. Liggen rondom de siphobuizen.
Protoplax
Een schelp stuk, enkelvoudig of gepaard, aan de boven-voorzijde van de schelp. Het bedekt gedeeltelijk de boven-voorzijde om het gat te sluiten tussen de kleppen.
Siphonoplax
Een of meer delen die zich bij de achterzijde van de schelp bevinden. Ze bedekken gedeeltelijk de siphonen.
   Hypoplax
   Metaplax
   Metaplax vorm
   Mesoplax
   Protoplax
   Siphonoplax
   Paletten aantal
   Paletten hoogte
   Paletten breedte
   Paletten steel
   Paletten blad
   Paletten top
   Paletten inplanting
   Paletten functie

Het Weekdier

Lichaam Generieke beschrijvingskenmerken
   Huidskleur
   Lichaamslengte
   Lichaamsbreedte
   Lichaamsvorm
   Lichaamstorsie
   Mantel
   Mantelkleur De kleur van de mantel
   Mantelrand Beschrijving van de mantelrand
   Vleugels
Papillen
Papillen groepering
Papillen kleur
Sipho
   Siphonen Omdat veel tweekleppigen zich ingraven is het belangrijk om de in- en uitstroom openingen boven het zand te houden. Hiervoor hebben sommige soorten een verlengd deel van de mantel dat siphon genoemd wordt. Hoe dieper ingegraven de soort leeft deste langer zijn de siphonen.
   Instroomsipho
   Uitstroomsipho
Kop
   Tentakels
   Rhinophoren Uitsteeksels op de bovenzijde van de kop van naaktslakken, waarin tastlichaampjes en chemische zintuigen liggen.
   Rhinophoor kleur De kleurbeschrijving van de rhinophoren
   Reuksprieten
Voet
   Voet functie
   Voet vorm
   Voet kleur
Byssus Een bundel vezels van hoornachtig organisch materiaal (colageen), afgescheiden door de voet van bepaalde tweekleppigen, waarmee de dieren zich vasthechten aan een substraat of in de grond.
   Byssus vorm
   Byssusklier
Tentakels
Ogen
Mond
Proboscis
Kaak
Tong
Radula  
   Radula beschrijving
   Radula formule
   Radula vorm
   Rhachis-tand
   Lateralia
   Marginalia
Ademhalingsorganen
   Kieuwen De weekdieren halen aan de achterkant water binnen, filteren het op zuurstof en voedsel via een kam-achtige kiew die ctenidium genoemd wordt. En lozen het restwater ook weer aan de achterkant.
   Kieuw kleur
Darmkanaal Beschrijving van het darmkanaal
Maag
Excrementen
Spieren  
Spierindruksel
   Voorste sluitspier zie Sluitspieren
   Achterste sluitspier zie Sluitspieren
Voortplantingsorganen  
Mannelijke geslachtsklieren
   Penis
Vrouwelijke geslachtsklieren
Schelpdracht

Bronnen

Literatuur
Websites
Tekst
Meer informatie
Verantwoording
Foto verantwoording
 © 2006-2017 strandvondsten.nl / Commentaar, aanvullingen en suggesties: info@strandvondsten.nl